Achtergrond
Abbey Road en de mysterieuze man op de hoes

Op 26 september 1969 verscheen Abbey Road, het twaalfde album van de Beatles in slechts zes jaar tijd. Na het rommelige White Album en de frustraties van de Get Back-sessies, besloten ze terug te keren naar de EMI studio’s in London om een LP op te nemen ‘as we used to do it.’

Het resultaat was een meesterwerk. Een plaat waarop de Beatles de sound van de sixties achter zich lieten en daarmee hun meest tijdloze album creëerden. Een LP waarop ze, ondanks alle zakelijke en artistieke besognes, weer als een groep klonken. En hoewel ze toen nog helemaal niet wisten dat het hun allerlaatste plaat zou zijn, lijkt het alsof ze in ieder geval dat vermoeden hadden, alsof ze de wereld nog één keer wilden laten horen waar ze toe in staat waren. Tijdens Abbey Road waren de Beatles niet meer die revolutionaire band die ze halverwege de jaren zestig waren, ook lag hun meest creatieve periode achter hen, maar hun muzikantschap was en is vijftig jaar na dato nog steeds imponerend. Abbey Road is de Beatles op het hoogtepunt van hun muzikaal vakmanschap.

Oorspronkelijk zou het album Everest heten en er waren wilde plannen om de Fab Four voor de platenhoes te fotograferen op de top van de berg. Uiteindelijk werd toch gekozen voor Abbey Road (de naam van de studio). Paul McCartney maakte vervolgens een paar schetsen hoe de albumfoto eruit zou moeten zien. En zo geschiedde. Op vrijdag 8 augustus 1969 om 11:35 uur liepen de vier Beatles samen met fotograaf Ian Macmillan de studiodeur uit.  Het vroege tijdstip - normaal kwamen de Beatles pas rond twee uur 's middags in de studio aan - was gekozen om eventuele fans te vermijden. Ze moesten snel te werk gaan. Twee politieagenten waren op het laatst ingevlogen om het verkeer tegen te houden, maar ze zouden dit hooguit tien minuten doen. Macmillan ging midden op de weg op een ladder staan en maakte zes foto’s van de Beatles die op en neer het zebrapad liepen.   De hoes werd een instant iconisch beeld en fans zochten in alles een diepere betekenis of symboliek. Zo was het natuurlijk een voorteken dat de Beatles juist van de studio vandaan liepen, weg van de plek waar ze samen hun muziek hadden opgenomen. Dat er ook foto's waren gemaakt waarop ze juist richting de studio wandelden, was toen nog niet bekend. Ook de witte Volkswagen kever (een Beetle!), was vanzelfsprekend met opzet op de foto gezet. Het nummerbord LMW 281F verwees naar het gerucht dat de echte Paul McCartney al in 1966 was overleden. De'28 if' vertelde dat McCartney 28 jaar zou zijn geweest, als hij nog zou leven. Dat hij tijdens de release van Abbey Road eigenlijk 27 jaar oud was, werd snel opgelost door zijn Boeddhistische leeftijd erbij te slepen, die rekent vanaf de conceptie, en zo klopte de theorie weer. In werkelijkheid was de auto van een buurtbewoner die toevallig zijn auto die dag voor de studio had geparkeerd. De arme man moet daar jarenlang spijt van hebben gehad, want zijn kentekenplaat werd vanaf dat moment voortdurend gestolen.

De zebra, de witte kever, de vier Beatles in een optocht, de blote voeten van Paul, ze zijn allemaal overbekend. Maar wie de foto goed bestudeert, ziet iemand waar vaak overheen wordt gekeken. Rechts op de stoep, vlak naast het hoofd van John Lennon staat onder een boom een man toe te kijken. Een persoon die per toeval op een plaat van de Beatles terecht is gekomen. Over photobombing gesproken... Natuurlijk probeerden fans uit te zoeken wie deze man was. En wat deed hij die dag bij de Abbey Road Studio's? Maar niemand kwam verder. En zo werd deze persoon de mysterieuze man op de hoes van Abbey Road.

Pas in 2004 kwam een antwoord. Een zekere Paul Cole, een inwoner van Florida, gaf een interview aan de Scripps Treasure Coast Newspaper. Daarin vertelde hij dat hij er onlangs achter was gekomen dat hij op een platenhoes stond. Paul Cole, op dat moment 89 jaar oud, hield niet van popmuziek, en had slechts vaag van de Beatles gehoord. Toen iemand toevallig de plaat meenam naar het verzorgingshuis waar hij woonde, herkende hij zichzelf meteen. Op die dag in 1969 waren hij en zijn vrouw op vakantie in London. Cole had geen zin om nog een museum te bezoeken en besloot buiten op de stoep te wachten en maakte een praatje met een politieman toen hij opeens vier vreemde jongens voorbij zag komen: ‘I just happened to look up, and saw those guys walking across the street like a line of ducks. A bunch of kooks, I called them, because they were rather radical-looking at that time. You didn’t walk around in London barefoot.’   En zo kwam Paul Cole, zonder dat hij er erg in had, op een van de beroemdste foto’s van de twintigste eeuw en daardoor ook op posters, koffiemokken, T-shirts en ga zo maar door. Niet dat het hem veel deed, want hij hield alleen van klassieke muziek.      

 

Daarmee was het raadsel eindelijk opgelost. Tenminste, als we even vergeten dat er helemaal geen museum in de buurt van Abbey Road is en dat de politieman slechts tien minuten aanwezig was en daardoor waarschijnlijk helemaal geen tijd had voor een praatje met een toerist. Paul Cole bleef zijn verhaal tot zijn dood in 2008 volhouden en toen hij stierf, verschenen over de hele wereld krantenberichten dat de mysterieuze man van Abbey Road was overleden.  

Deel deze pagina:
Bekijk ook